| Het was slechts een
week of twee geleden toen Jan, in Amsterdam, was
aangemonsterd op de driemanster van de VOC. Het besef van
tijd was
verdwenen sinds hij op zee was. Jan was nu achttien jaar oud,
maar nog
steeds een van de jongste op het schip. Zijn taken waren die
van een
scheepsjongen. Hij hielp de matrozen, maakte het dek en de
verblijven
van de bemanning schoon en hielp soms bij het schilderen van
de houten
romp van het schip. Het was niet zijn eerste keus geweest
dit werk te
gaan doen, maar omdat er in de Republiek der Verenigde Nederlanden
weinig werk was voor een arme boerenzoon als hij, had hij
na
verschillende misstappen maar voor het ruime sop gekozen.
Omdat hij
niet gebouwd was op zwaar fysiek werk, viel het hem erg zwaar.
Anders
dan de andere bemanningsleden was hij slank en tenger. Hij
werd wel
eens uitgelachen door de ruwe zeebonken, die de spot dreven
met zijn
ranke bouw en zijn bijna meisjesachtige trekken. Toch waren
het ook
deze mannen die hem af en toe wat werk uit handen namen en
hem wat
extra eten toestopte. Ook waren zij diegenen die hem s'nachts
probeerde
te verleiden. Omdat hij wel gevoelens voor mannen had, gaf
hij er wel
eens aan toe. Hij nam dan de pik van zo'n ruwe zeebonk in
zijn mond en
zoog eraan totdat het zaad in zijn mond sprong. De zeelieden
konden hem
echter nooit helemaal bevredigen.
Het reisdoel was Indië, maar ze waren al langer onderweg
dan normaal was
voor de route die de kapitein in Amsterdam had uitgestippeld.
Er gingen
onder de bemanning geruchten de ronde dat ze verdwaald waren.
Ze hadden
in ieder geval de tropen bereikt want de temperatuur was de
afgelopen
dagen voortdurend opgelopen.
De avond viel en de wind zwol steeds verder aan. De golven
kregen witte
schuimkoppen en verrezen steeds hoger voor de boeg van het
schip. De
bemanning begon onrustig te worden. Er werd hevig gediscussieerd
of de
zeilen wel of niet zouden moeten worden gestreken. Als de
storm verder
aan zou zwellen zou het schip onbestuurbaar kunnen worden
en op een van
de onder water liggende rotsen kunnen lopen. De kapitein gaf
echter het
bevel gewoon door te varen. De storm werd steeds heviger,
de zeilen
bolden, de masten kraakten de touwen stonden zo strak dat
ze elk moment
konden knappen. Huizenhoge golven verrezen als muren van water
voor het
schip om het vervolgens genadeloos te overspoelen. Jan moest
zich
vastgrijpen aan een mast om niet door het woeste water overboord
gesleurd te worden. Het geraas van de storm was nu oorverdovend,
de
zeilen werden aan flarden gerukt en de voorste mast brak af
alsof het
een twijgje was. Het schip was onbestuurbaar, en ze waren
overgeleverd
aan de genade van de zee. De zee had geen genade voor Jan.
Een enorme
golf sloeg op het dek van het schip en rukte de achterste
mast, waar
Jan zich angstig aan vastgeklampt had, uit zijn fundament
en sleurde
hem samen met de jongen mee in het kolkende water.
Plots was er allen nog maar zee. Jan wist niet wat hem overkwam
toen hij
onder water werd getrokken. Instinctief hield hij het stuk
de mast, die
in stukken was gebroken, krampachtig vast en snakte naar adem
toen hij
weer boven kwam. Toen was er een tijd lang alleen het kolkende
water om
hem heen en hij bad hevig dat hij niet zou verdrinken.
Hoeveel tijd er was verstreken sinds het moment dat hij overboord
werd
gespoeld en het moment dat hij, volledig uitgeput op een zandstrand
aanspoelde, kon hij zich niet voor de geest halen. Trillend
van ellende
kroop hij het strand op, zo ver als zijn geteisterde lichaam
hem nog
kon brengen, om vervolgens van moeheid het bewustzijn te verliezen.
Jan werd wakker door het zonlicht dat door zijn gesloten
oogleden heen
sijpelde. Hij opende zijn ogen en werd verblind door het felle
licht.
Zijn hoofd bonkte, zijn huid gloeide, zijn mond was gortdroog
en een
knagende honger maakte dat hij zich hulpeloos verloren voelde.
Hij keek
om zich heen. De zee was tot rust gekomen, het water was nu
azuurblauw
en vredig alsof er nooit een storm geweest was. Het strand
was wit als
sneeuw, met hier en daar een rots en strekte zich in de breedte
enkele
tientallen meters uit waar het werd afgesneden door een ondoordringbare
bosrand. Een kleine bergketen die achter het bos opdoemde
maakte hem
verder zicht onmogelijk. Een enorme drang naar water deed
Jan opstaan
en onvast in de richting van het bos in de hoop daar een zoetwaterbron
te vinden.
Jan had geen idee waar hij terechtgekomen was, of het schip
waar hij op
gevaren had vergaan was of er mensen op dit eiland leefden
of hij ooit
nog terug kon keren naar Amsterdam. Als het schip de storm
had
overleefd dan zouden ze hem waarschijnlijk niet komen zoeken.
Ze zouden
waarschijnlijk denken dat hij verdronken was. Een tijdlang
liep hij
langs de bosrand op zoek naar een weg. Uiteindelijk vond hij
een inham.
Uit het bestaan van een smal bospaadje kon hij opmaken dat
er hier
mensen woonden. Of dat goed of slecht was wist hij niet. Na
een tijd
door het drukkend hete bos gelopen werd de begroeiing steeds
dunner
totdat hij bij een klein meertje kwam. Uitgelaten van geluk
trok hij
zijn kleren uit en dook het koele water in. Het water was
fris en zoet
en hij genoot met volle teugen van de rijkdom aan drinkwater
die hij
plotseling gevonden had. Hij dook onder water om proestend
weer boven
te komen en de zon scheen op zijn slanke roomblanke lichaam.
Na zijn
uitgelaten spel in het water zwom hij naar de oever om in
de zon te
gaan liggen totdat hij droog zou zijn. Plots viel zijn blik
op een
drietal gestalten aan de overkant van het meertje. Zijn hart
begon wild
te bonzen en hij wist niet wat hij moest doen. Een drietal
zwarte
jongens die behalve een peniskoker niets om hun lijf hadden,
keken hem
met grote ogen aan.
Jan wilde op de vlucht slaan maar realiseerde zich dat hij
nergens heen
kon. Hij kende het eiland niet en ze zouden hem altijd kunnen
pakken.
Ook wist hij niet hoe hij aan eten moest komen en zou hij
zo goed als
zeker verhongeren als niemand hem zou helpen. De jongens kwamen
zijn
kant op gelopen en zijn hart bonsde nu zo hart dat die bijna
uit zijn
borstkas sprong. Ze riepen hem woorden toe in een taal die
hij niet
kende. Toen ze bij hem waren gekomen wist hij niet hoe hij
met ze moest
communiceren en hij schaamde zich plots voor zijn naaktheid.
De
grootste jongen liet zijn blik over Jan zijn blanke lichaam
glijden.
Hij liet zijn hand over Jan zijn huid glijden en zei iets
onverstaanbaars tegen de andere jongens. Jan werd vuurrood,
bedacht
zich dat ze waarschijnlijk nog nooit een blanke gezien hadden
en
nieuwsgierig waren. Hij had enorme honger en dacht koortsachtig
na hoe
hij deze inheemsen om voedsel moest vragen. Hij maakte maar
wat gebaren
naar zijn mond en buik in de hoop dat ze er iets van zouden
begrijpen.
Dit leek het geval te zijn en de grote jongen zei iets tegen
de anderen
waarop een van de jongen het bos in liep, een boom in klom
en met een
grote vrucht weer beneden kwam. De jongen sloeg de groene
vrucht op een
steen zodat de schil openbarstte en bood Jan het stevige witte
vruchtvlees aan. Jan at onwennig maar gulzig van de zacht
zoete vrucht.
De jongens bleven hem voortdurend aanstaren terwijl hij at.
Jan schatte
dat ze ongeveer even oud als waren als hij. Nu zijn honger
was gestild
probeerde hij zich aan de inboorlingen voor te stellen. Hij
zei zijn
naam en wees naar zichzelf. De jongens leken hem te begrijpen.
De
grootste jongen kwam vlak voor hem staan zodat zijn peniskoker
bijna in
Jan zijn navel prikte. De donkere jongen wees naar zichzelf
en zei
Nandome, hij wees naar de andere jongens die Pigitawa en Bore
heetten.
Nandome was vrij lang en gespierd, zijn huid was diep zwart
hij had
kroeshaar en volle lippen. Nu deed Nandome iets wat Jan niet
begreep.
Hij wees naar zichzelf, vervolgens naar Jan en wreef met zijn
handpalmen langzaam over elkaar. De andere jongens lachte.
Nandome
streek nu door Jan zijn blonde haar en herhaalde vervolgens
zijn
gebaren. Jan wist niet wat hij er van moest denken. De zwarte
jongen
merkte dat Jan hem niet begreep en probeerde met andere gebaren
duidelijk te maken wat hij wilde. Hij wees naar zijn piemel
en toen
naar Jan zijn kontje en maakte vervolgens een obsceen gebaar
met zijn
rechtervinger in zijn linkerhand. Jan werd nu vuurrood. Hij
begon te
begrijpen wat de jongen bedoelde. Hij wilde met hem vrijen
zoals een
man met een vrouw vrijt. Hij keek naar de andere jongens,
maar die
keken hem lachend aan en maakte obscene bewegingen met hun
kruis.
Ondanks de schok die hij had ervaren door deze directe en
primitieve
manier van doen, begon Jan een beetje opgewonden te raken.
Hij vroeg
zich af hoe het zou zijn om die enorme zwarte pik in zijn
buik te
krijgen.
Nandome deed zijn peniskoker af en een enorme zwarte speer
sprong
tevoorschijn. Jan's adem stokte even in zijn keel. Dat enorme
gevaarte
moest bij hem naar binnen. Nandome kuste hem op zijn mond.
Jan voelde
de handen van de jongen over zijn lichaam glijden, over zijn
schouders
naar zijn rug en van zijn rug naar zijn billen. Met zachte
druk dwong
de donkere inboorling de ranke blanke jongen op zijn knieën
en drukte
zijn zwarte paal op diens lippen. Jan likte nieuwsgierig aan
de roze
top van de grote zwarte piemel. Een druppel glanzend vocht
kroop het
gevaarte en parelde op Jan zijn volle lippen. Hij likte met
zijn tong
langs zijn lippen en genoot van de zoute smaak. Nandome duwde
zijn paal
nu vastberaden in de jongensmond en Jan likte, zoog eraan.
Hij voelde
de zwarte stang steeds dieper in zijn mond verdwijnen en zoog
er
verwoed aan. Misschien kon hij de jongen met zijn mond bevredigen,
dan
hoefde hij niet geneukt te worden, want hoewel hij ernaar
verlangde was
hij bang voor de pijn die het zou veroorzaken. Maar Jan's
hoop was
ijdel want toen Nandome zich uit zijn mond terugtrok gebaarde
hij dat
de jongen op handen en knieën moest gaan zitten. Jan
was nog nooit
geneukt. Hij had wel eens mannen op het schip bevredigd met
zijn
handen en mond, maar nu hij spiernaakt, als een vrouwtjesdier
op handen
en knieën zittend, met zijn kont naar achteren afwachtte,
wist hij dat
het deze keer anders zou zijn.
Nandome stond achter Jan bekeek de blanke jongen die zo rank
als een
hert was, met een mooie bolle kont die nu angstig op de penetratie
wachtte.
Nandome duwde de billen van de jongen uit elkaar en spuugde
op zijn
nauwe ster en begon hem te vingeren. Jan slaakte een zachte
kreet toen
de inboorling steeds meer vingers ging gebruiken, de andere
jongens
lachte. Ze begonnen hun vriend nu aan te moedigen om de vreemde
exotische jongen te neuken. Jan voelde zich steeds zenuwachtiger
worden. Toen vond Nandome het tijd om zijn blanke prooi te
nemen. Hij
richtte zijn keiharde lans trilloos op het glibberige sterretje
van de
jongen. Jan gilde als een mager speenvarken toen de enorme
pik in hem
stak. De jongens lachte nu nog harder en begonnen nu zelfs
een
triomfantelijk dansje op te voeren. Nandome had geen genade,
hij
stootte zijn enorme zwarte spies snel in diep in het blanke
jongenskutje. Jan begon aan de zwarte paal te wennen, en genoot
ervan
hoe de harde lange stang zijn zachte buik in gleed. De zware
ballen van
de inboorling kletste steeds sneller tegen de witte jongensbillen.
Nandome bereed zijn blanke prooi fier en trots, hij onderwierp
de
Hollandse jongen volledig aan zijn mannelijkheid. De zwarte
jongen stak
nog een paar keer toe om vervolgens een oerkreet te slaken
en zijn
warme zaad in de zachte jongensbuik te planten. Jan werd door
Pigitawa
en Bore overeind getrokken. Jan voelde het zaad van zijn bereider
in
zijn buik. Bore kwam nu achter hem staan en begon hem te vingeren.
Jan
voelde dat hij het goedje niet meer binnen kon houden en een
dikke
straal sperma liep uit zijn gat. De jongens joelden en werden
er
helemaal wild van. Hij werd weer op zijn knieën gezet.
Bore en Pigitawa
haalden nu hun harde piemels tevoorschijn en neukte hem tegelijkertijd
in zijn mond. Jan likte en beet af en toe speels naar de zwarte
jongensballen. Dit maakte de jongens alleen maar geiler en
ze neukten
het steeds dieper in zijn keel. Het was de Bore die als eerste
een
kreet slaakte en zijn warme vocht over Jan's gezicht spoot.
Jan likte
uitgelaten van opwinding zoveel sperma op als hij kon toen
ook Pigitawa
zijn goedje rond zijn mond deponeerde. De jongens kusten hem
nu overal
en fluisterden allerlei onverstaanbare woorden in zijn oren.
Jan liep nu temidden van de drie inboorlingen steeds dieper
het woud in.
Ze hadden hem duidelijk gemaakt dat hij met hen mee moest
gaan. Hij had
geen andere keuze dan om te gehoorzamen. Hij zou alleen op
het eiland
kunnen overleven als hij hulp kreeg van de lokale bewoners.
Ze kwamen bij een primitief dorpje aan, met hutten gemaakt
van hout en
bladeren. De inboorlingen keken Jan met vol verbazing aan.
Het eerste
wat de jonge Hollander opviel was dat er bijzonder weinig
vrouwen
waren. De mannen hadden veel oog voor hem en praatte opgewonden
met
elkaar. Sommige maakte obscene gebaren naar hem. Jan besefte
dat hij in
een inheemse stam werd opgenomen waar mannenliefde heel normaal
was.
Zijn begeleiders brachten hem naar het centrum van het dorpje
waar een
hut stond die groter en mooier was dan de andere hutjes. De
hut was
ruim en aan de buitenkant rijkelijk gedecoreerd met houtsnijwerk.
Nandome gebood de zenuwachtige jongen naar binnen te gaan.
Jan keek om
zich heen. Het kon niet anders dan dat dit het huis van de
hoofdman
was. Een grote man zat op een soort houten zetel achterin
de ruimte.
Hij droeg een soort hoofdband en er zaten een aantal mannen
om hem
heen. Toen Jan door zijn begeleiders naderbij gebracht werd
zag hij
iets wat hem bijna deed omvallen van verbazing. Aan de voeten
van de
hoofdman zat een blanke jongen van ongeveer zijn leeftijd.
Deze jongen
had bruin krullend haar, was vrij lang en slank en had grote
bruine
ogen. Hij was op een peniskoker na naakt, net als de andere
mannen. De
jongen bleek net zo verbaasd als Jan en keek hem met zijn
grote bruine
ogen aan. Nandome begon met de hoofdman te spreken. De hoofdman
streelde de blanke jongen die bevallig aan zijn voeten lag
af en toe
door zijn volle krullenbos. De hoofdman richtte zijn woorden
nu tot de
jongen. Zodra de hoofdman uitgesproken was sprak de jongen
tegen Jan.
Deze ging bijna van zijn stokje van verbazing. De jongen sprak
Hollands. ‘Ik ben Cornelis.Ik woon hier nu al een tijd,
dus ik ken de
taal een beetje' zei hij. 'Ik zal je later meer over mijzelf
vertellen
maar nu moet ik je van de hoofdman welkom heten in zijn gemeenschap.
Je
zal hier net als ik worden opgenomen, en ze zullen een functie
voor je
zoeken binnen dit dorp. Zoals je ziet houden ze hier nogal
van blanke
jongens, maar dat zal je waarschijnlijk al aan de lijve ondervonden
hebben. Je zult waarschijnlijk hier komen te wonen. De hoofdman
houd al
zijn jongens graag dicht bij hem in de buurt. Ze houden hier
altijd een
inwijdingsritueel voor nieuwe jongens en mannen, maar dat
zal vanavond
wel zien.'

Jan wist niet wat hem overkwam maar het beviel hem uitstekend.
Het leek
wel of al zijn fantasieën werkelijkheid werden. De hoofdman
wenkte Jan
en sprak een paar woorden tegen Cornelis. ‘Hij vraagt
of je je uit wilt
kleden, hij wil je lichaam zien.' Jan werd rood omdat alle
mannen hem
begerig aankeken. Toch wilde hij zijn naakte blanke lichaam
aan al deze
geile mannen tonen en gleed uit zijn kleren voor het oog van
de
hoofdman en zijn onderdanen. De mannen keken bewonderend naar
het
blanke reeslanke lijf van de jongen. De hoofdman liet Jan
zichzelf
meerdere malen omdraaien zodat iedereen zijn mooie volle billen
kon
zien. De hoofdman trok de jongen naar zich toe en liet zijn
sterke
handen over zijn zachte huid glijden. Hij bevoelde de jongen
zijn
piemel, zijn ballen en zijn billen als een keurmeester zijn
waren
inspecteert. 'Hij heeft een bijzondere inwijdingsceremonie
voor je in
petto, dat weet ik nu al', sprak Cornelis geheimzinnig.....
Wordt vervolgd |